Waarom ik Calvino's 'De onzichtbare steden' niet geschreven heb

Gepubliceerd online: 27 september 2017

In mijn boekenkast staat een klein boekje met de luisterrijke titel: De onzichtbare steden. Menigmaal heb ik mij als verwonderd over dit boekje.

Iedereen kan zich een voorstelling maken van de stad. Er zijn vele steden die een grote indruk op mij hebben gemaakt. Bij terugkomst in Nederland lijkt alles nog kleiner, en ons land is al zo groot niet. Calvino schrijft over denkbeeldige steden. Ik ken geen boek waarbij ik als lezer de indruk krijg zelf deel uit te maken van de schrijfkunst. Kublai Khan, keizer, is in gesprek met Marco Polo, reiziger. Marco Polo beschrijft de vele steden die hij heeft bezocht. Maar ze spreken niet dezelfde taal.

Op een avond komt over ons een gevoel van leegte. Ondanks het noodlot zijn daar de reisverslagen van Marco Polo: het boekje is een pleidooi voor de fantasie. De reis van Calvino is een ontdekkingstocht. Een zoektocht naar iets waarvan je niet weet of je het ook daadwerkelijk gaat vinden. Een leegte niet opgevuld met woorden; een goede eigenschap, tot de verbeelding spreken. De lezer krijgt de vrijheid tussen de regels door het werk zelf af te maken.

'Ik praat en praat' zegt Marco, 'maar wie naar mij luistert onthoudt alleen de woorden die hij verwacht. (...) Het verhaal wordt niet geregeerd door de stem: door het oor.' De lezer wordt door Calvino aan zichzelf overgeleverd. Hij krijgt een opdracht mee: uw oor is het verhaal dat u hoort! U bent de schepper van het kunstwerk. U zet de woorden op het schrift. U kloddert de verf op het witte doek. Sterker nog: 'Een kwaliteit van de atlas is dat hij de vorm onthult van steden die nog geen vorm hebben en nog geen naam'. Het boekje komt kort gezegd neer op een literaire grap om vooral niets te zeggen met een spitsvondige titel.

Nu, ik ben een gewillige prooi. Mijn fantasie als professor architectuur is groot genoeg voor Calvino, want ik het desbetreffende boek reeds lange tijd in bezit. Met de aanschaf van het boekwerk heeft Calvino bij mij zijn doel bereikt. Wellicht is mijn voorstellingsvermogen groter dan de schrijver, dat zou hij vast graag gewild hebben, dan was zijn boek nog beter geweest. De imaginaire potentie van de stad kan mij niet groot genoeg zijn. Elke plattegrond is als een ruimtelijke vrijbrief voor de mooiste anekdotes en verhalen. Geen architectuur van de stad zonder het leven van de mensen dat ik mij erin voorstel. Voor mij is de stad zichtbaar. Daarom heb ik 'De onzichtbare steden' niet geschreven.

Laten we aan de lezer over wat de bedoeling van het werk is, dan is het een arme consument die zich niet kan troosten zonder artistiek talent en zich weer eens heeft laten ophitsen door een oplichter, charlatan, planoloog, politicus, stadssocioloog of medegelovige in 'De onzichtbare steden'.

BRON

Cavino, I. (2001). De onzichtbare steden (H. Vlot, vert.). Amsterdam: Bert Bakker.